Twee standalone Windows 2000 machines met elkaar verbinden

Het kost altijd veel hoofdbrekens om machines in een netwerk met elkaar te verbinden. Deze handleiding probeert daar wat duidelijkheid in te scheppen.
Om 2 Windows 2000 machines successvol met elkaar te laten praten heb je materiaal nodig:

  • 2 Windows 2000 machines (geen verrassing)
  • 2 Netwerkkaarten
  • Een hub, switch, coax of een kruisverbinding tussen 2 netwerkkaarten met UTP.

Allereerst moet natuurlijk de hardware op orde zijn. Zorg dus dat de twee NT machines stabiel draaien en goed geconfigureerd zijn. Configureer in beide stations de netwerkkaart volgens de handleiding van de kaart of gebruik de detectie van Windows 2000. Controleer het eventlog voor foutmeldingen.

Zorg dat de netwerkinfrastructuur goed is. De hub/switch moet aan staan, Coax moet getermineerd zijn (dat zijn die afsluitertjes, je HEBT afsluitertjes neem ik aan?). Gebruik bij direct aansluiten een ECHTE kruiskabel en niet een kabel waarvan je dacht dat die kruiste.

Controleer bij UTP of lampjes op de hub/switch branden en of de linklampjes op de netwerkkaarten branden. Als dit niet zo is, controleer de bekabeling. Een linklampje hoort niet te knipperen.

Als we deze basiscontrole hebben uitgevoerd kunnen we naar de volgende stap gaan. Het configureren van het netwerk.

De toegang tot het Netwerkconfiguratiescherm van Windows 2000 bevindt bevind zich onder het network neightbourhood icoon. Klik met de rechtermuisknop op het icoon en kies properties.

Kies vervolgens de netwerkeigenschappen van de local area connection

 

In het volgende scherm kun je nu de juiste services en protocollen toevoegen. Omdat TCPIP het moeilijkste protocol is zullen we dat hier behandelen. Je kan natuurlijk ook voor netbeui kiezen wat met 2 pc's natuurlijk effectiever is omdat dit protocol minder overhead heeft

Je hebt in ieder geval nodig: Client voor microsoft, File en Printersharing en TCPIP. Deze moeten dus allen zichtbaar zijn in dit menu.
De instellingen van de client en f&p zijn default goed dus we hoeven nu alleen nog het protocol te definiëren.

Even wat basisbeginselen van TCP/IP. Het protocol is een routeerbaar protocol. Wat betekent dat het niet alleen over een enkel LAN bruikbaar is (zoals netbeui) maar ook over meerdere LAN's heen kan communiceren. Zo'n LAN noemen we in IP spraak een subnet. Dus alle PC's binnen 'schreeuwafstand' behoren tot een subnet. Communicatie met een ander subnet geschiedt middels een router. De router is een pc of een speciaal daarvoor gemaakt apparaat wat IP verkeer van het ene subnet naar het andere kan sturen. Hoe werkt dit? Elk netwerkstation heeft een nummer (het IP nummer) en een netmask (zeg maar nog een nummer). Het eerste nummer identificeert het station, het tweede nummer verschaft het TCP/IP protocol met informatie over wat nou precies de schreeuwafstand is. Om het simpel te houden. Stel een station heeft als nummer 192.168.10.1 en als netmask 255.255.255.0 dan is het laatste cijfer het subnet. Dus alles wat begint met 192.168.10 kan het station 'zien'. Alles wat daarvan afwijkt is een ander subnet en verkeer daarnaartoe moet door een router worden afgehandeld (ook wel bekend als gateway). TCP/IP is het protocol van het internet en de meeste nummers zijn reeds in gebruik. Je kunt nu natuurlijk wel een willekeurig nummer nemen maar als je later je machine aan het internet hangt kan dit problemen geven. Gelukkig heeft men daar rekening mee gehouden. De ranges 10.0.0.0 en 192.168.0.0 zijn vrij. Je kunt dus het beste je 2 machines een nummer uit deze ranges toekennen.

Begin eenvoudig en geef je stations 2 nummers en bijbehorende netmask. Bijvoorbeeld 192.168.10.1 en 192.168.10.2 met als netmask 255.255.255.0. Vul dit als enige in en laat verder alle instellingen ongemoeid.

Nu kunnen we gaan testen of de verbinding werkt. Hiervoor is een tooltje uitgevonden, genaamd 'ping'. De volgende figuur laat wat voorbeelden zien.

In het eerste geval is alles in orde het commando 'ping <adres>' geeft resultaat. Het andere station geeft antwoord. Het tweede voorbeeld geeft aan dat de twee stations elkaar niet zien. Controleer in dit geval de bekabeling en de instellingen. Het laatste geval laat duidelijk zien dat er iets aan de hand is. Of het netmask is niet goed ingevuld waardoor het station een router wil hebben (maar niet kan vinden), of er is een probleem met de bekabeling, kaarten oid.

Eventueel kun je met het commando 'ipconfig' snel controleren hoe IP is geconfigureerd:

Je ziet alle basisgegevens in een plaatje. In ons voorbeeld moeten DNS, WINS en routergegevens leeg zijn. In het tweede voorbeeldje zie je trouwens gelijk het probleem van de vorige verbinding, de kabel ligt er kennelijk uit!

Als de basiscommunicatie werkt kunnen we verder testen. Nu we op nummer communicatie hebben willen we natuurlijk meer. Om te beginnen willen we van die lelijke nummers af. Dat snappen we als mensen niet. In het verleden hebben ze daar al eens iets op verzonnen. Een koppeling tussen een naam en het ipnummer. Eerst middels zogenaamde hostfiles (zeg maar een vertaaltabel) en later met DNS (een server met een naamdatabase). In ons netje is dit allemaal niet nodig. Als NT een nummer wil achterhalen van een host en DNS,WINS en hostfile zijn afwezig dan zal NT een oproep uitzenden met daarin de hostnaam. Het station zal antwoorden met daarin zijn IP nummer. Dit kun je zien in de volgende figuur:

Als we kunnen pingen op naam is de belangrijkste basiscommunicatie ok. Als dit niet werk controleer dan WINS,DNS en hostfiles. Check ook het nodetype wa je ziet in de uitvoer van het ipconfig commando. Dit moet hybrid of broadcast zijn. Point is uit den boze. Deze instellingen bepalen de manier waarop namen opgevraagd worden. Point gebruikt alleen WINS,DNS en hostfiles. In hybrid mode zal het station broadcasts gebruiken als de andere diensten niet tot het gewenste resultaat leiden.

Als alles in orde is kunnen we met het nbtstat commando testen of we de andere machine op NT niveau kunnen bereiken. Een uitvoer zoals in het plaatje betekent dat fundamentele diensten het kennelijk doen.

Als laatste kunnen we dan een daadwerkelijke netwerkverbinding maken. Doe dit zoals in het voorbeeld dus:

Net use * * /user:anderehost\beheerder

Deze notatie is nodig om aan te geven onder welk account de verbinding gemaakt moet worden. Elk station heeft namelijk zijn eigen accountdatabase en met dit commando geven we dat aan.

Als dit commando niet werkt controleer de accountgegevens, of de server service draait of de c$ share daadwerkelijk bestaat. In geval van NT 4.0 moet mogelijk nog even het laatste servicepack gedraait worden (met name bij de melding not enough memory to process this command).

Als dit allemaal wel werkt dan heb je zojuist succesvol een verbinding gemaakt.


privacy policy